Terugmelders aansluiten

Automaus kan met alle terugmelders functioneren die een S88N aansluiting hebben. Onderstaande uitleg gaat alleen over de Automaus terugmelders, hoewel wat hier staat deels ook toepassing is op andere terugmelders, raden wij aan altijd de handleiding van de betreffende fabrikant te volgen.

Wat is een terugmelder?

Een terugmelder is een stukje electronica wat input van de modelspoorbaan doorgeeft aan Automaus. Deze input kan van alles zijn, maar het is vaak de aanwezigheid van een trein op een bepaald punt op de baan.

Hoe werkt een terugmelder?

Automaus BMc terugmelders (BM8 en BM16) detecteren de aanwezigheid van een locomotief op een digitale DCC modelspoorbaan door te meten of er stroom gebruikt wordt.

Er bestaan ook terugmelders die reageren op een magneetje of op onderbreking van een lichtsignaal, maar die worden niet meer zo veel gebruikt.

Hoe zit het met blokken en secties?

Modelspoorbaanautomatisering werkt vaak op basis van blokken en secties. Dit wordt door velen als ingewikkeld ervaren en is voor eenvoudige automatisering ook helemaal niet nodig.

Bij Automaus bestaan er alleen maar melders. Elke melder kan aangeven of er op een stuk baan wel of niet een lokomotief aanwezig is. Je kunt melders eventueel ook gebruiken om op andere signalen te reageren, maar dat laten we nu even buiten beschouwing.

Vaak wordt ook beweerd dat een stuk baan met een terugmelder (een blok) nooit een wissel mag bevatten. Dit soort regels gelden niet voor Automaus. 

Hoeveel terugmelders, waar en hoe lang?

Dit hangt helemaal van de grootte van de baan af en hoeveel verkeer en afwisseling je wilt gaan maken. Gelukkig hoeven terugmelders niet duur te zijn, dus beter een paar te veel dan 1 te weinig. Hier zijn wat algemene aanwijzingen:

Hoe veel?

Beter te veel dan te weinig, maar je zou kunnen zeggen dat je voor elke plaats waar een trein moet kunnen stoppen 2 melders zou willen, 1x om af te remmen en de 2e om te stoppen. Vervolgens zou je alle doorlopende sporen kunnen opdelen in een aantal melders van bijvoorbeeld een halve meter of een meter lengte (in H0).

Waar?

Dat ligt eraan waarvoor de melder dient. Als je een trein in een station wilt laten stoppen, maar je er 1 waar de trein moet stoppen en bijvoorbeeld een halve meter (in H0) daarvoor 1 om de trein af te remmen. Deze kunnen bv een halve meter of een meter uit elkaar liggen. De melder kan ook bedoeld zijn om te weten of een stuk spoor bezet of vrij is en dat kan overal zijn, bijvoorbeeld een wissel(straat) of een stuk hoofdbaan.

Hoe lang?

Dat ligt eraan hoe de melder gebruikt wordt. Bijvoorbeeld voor het stoppen van een lok voor een stootblok kan 20cm in H0 al voldoende zijn als de lok al voldoende afgeremd is. Een stuk spoor van 1 of 2 meter lengte wat maar in 1 richting bereden wordt, zou ook 1 melder kunnen zijn.

Hoe sluit je de terugmelders aan?

Voor je begint

Maak eerst een tekening/schema van je baan met daarin aangegeven op welke stukken van de baan je lokomotieven wilt detecteren met terugmelders. Beslis ook welke van de 2 railstaven je gaat gebruiken om te onderbreken voor de terugmeld secties.

Zorg vervolgens dat je een aantal verschillende soorten aansluitdraad hebt van verschillende kleuren en diameters, bijvoorbeeld (voor H0):

Gebruik Diameter kleur (voorbeeld)
Van rail naar terugmelder A (gedeeld) 0.25 - 0.5 mm² blauw
Van rail naar terugmelder B (per gedetecteerde sectie) 0.25 - 0.5 mm² bruin
Van centrale naar terugmelder A 1.0 - 1.5 mm² blauw
Van centrale naar terugmelder B 1.0 - 1.5 mm² oranje

Zorg dat je flexibele draad kiest. De kleur in de tabel is slechts een voorbeeld. Je kunt je eigen kleuren kiezen, maar zorg er wel voor dat je die consequent overal gebruikt, dat voorkomt fouten en helpt wanneer je storingen moet zoeken.

DCC van de centrale

De 2 draden van de DCC centrale gaan naar de DCC IN aansluiting van elke terugmelder (BMo). Wanneer deze aangesloten zijn zie je ook de witte LED oplichten. Dit betekent dat de DCC aansluiting goed is. Gebruik voor deze aansluiting draad van voldoende dikte, zie de tabel.

S88N kabels

De OUT kant van de terugmelder wordt met een S88N kabel (netwerkkabel) aangesloten op Automaus (afbeelding rechts).

Wanneer je meerdere terugmelders gebruikt, kun je deze ook met dezelfde S88N kabels aan elkaar koppelen, maar wanneer je meer dan 8 gedetecteerde secties vlak bij elkaar hebt, kun je ook een uitbreidingsmodule gebruiken, zoals in onderstaande tekening aangegeven. 
Let er wel op dat elke terugmelder die via een S88N kabel verbonden is, zijn eigen DCC IN aansluitingen van de centrale nodig heeft!

Railaansluiting A (gedeeld)

Een van de twee rails is niet onderbroken en wordt overal op de A draad (blauw in de tekening) aangesloten. Gebruik hiervoor wat dunnere draad, zie de tabel. Theoretisch is 1 aansluiting van de A draad voldoende voor de hele baan, maar het is beter om minimaal per 1 à 2 meter spoor een draad aan te sluiten op de terugmelder, of wat meer, als er veel terugmelders of wissels zijn, daarom is er ook één A aansluiting op de terugmelder per twee B aansluitingen.

Railaansluiting B (per gedetecteerde sectie)

De B aansluitingen (bruine draad in de tekening) van de terugmelder zijn voor de gedetecteerde stukken spoor. Elk stuk spoorstaaf waar een melder komt moet geïsoleerd worden van de rest van de baan. Je kunt hiervoor kunststof railschoentjes gebruiken, of gewoon de railstaaf doorzagen of slijpen. Deze punten zijn in de tekening aangegeven met rode stippen.

Railaansluiting B (ongedetecteerd)

Het is mogelijk om de gehele baan op terugmelders aan te sluiten, dus dat een trein altijd op een melder staat. Maar vaak worden ook ongedetecteerde stukken toegepast. Als je zeker weet dat je op een stuk rail, bijvoorbeeld tussen 2 melders nooit  wilt weten of daar een trein aanwezig is, kun je deze op de UNDETECTED aansluiting van de terugmelder (BMo) aansluiten. Zie de railaansluiting aan de linkerkant in de tekening.

Waarom Automaus terugmelders?

Hoewel Automaus ook functioneert met terugmelders van andere leveranciers, raden we het gebruik van Automaus terugmelders aan, omdat deze een aantal voordelen hebben die het aansluiten en oplossen van problemen eenvoudiger maken:

  • Met een groene en witte LED wordt aangegeven of de S88N en DCC functioneren.
  • Met rode LEDs wordt aangegeven welke terugmelders actief zijn.
  • Ze zijn compact en gebruiken weinig ruimte.
  • Het gaat in modules van 8 gedetecteerde secties, zodat je minder lange draden onder de baan krijgt.
  • Ze zijn uitbreidbaar, want je kunt meerdere modules van 8 gedetecteerde secties aan elkaar koppelen, zodat je op drukke stukken van je baan geen stukjes S88 kabel nodig hebt.
  • Voor ongedetecteerde secties hoef je geen ingewikkelde diodeschakelingen te gebruiken, deze zit al geïntegreerd.